Regels en criteria

Wij hanteren landelijke regels en criteria bij het beoordelen of iemand een voedselpakket krijgt. Een aanvraag van een voedselpakket loopt altijd via een hulpverlener.

Hieronder leest u een samenvatting van de regels en criteria voor het aanvragen van een voedselpakket. 

1. Normbedragen


De normbedragen van 2019 zijn als volgt:

  • Basisbedrag per huishouden: € 135,-
  • Per persoon: € 90,-
Aantal kinderen alleenstaand echtpaar/samenwonenden 
225315
315 405 
405495 
495 585
585 675 
675 765

Uitgangspunt is dat ieder huishouden 1 pakket ontvangt. Het normbedrag voor toelating conform criteria en de grootte van het voedselpakket wordt met name bepaald door het aantal inwonende gezinsleden.

Heeft u wekelijks leefgeld, dan berekenen we het maandbedrag door het weekbedrag te vermenigvuldigen met 4,3333.

Wanneer u leefgeld heeft, moet uw hulpverlener het actuele budgetplan meesturen.

2. Inkomsten


Hieronder vallen alle netto inkomsten, inclusief toeslagen en (voorlopige) teruggaaf inkomstenbelasting van aanvrager, van de partner of inwonende volwassene waarmee een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Voor inwonende (kostgeld verdienende) kinderen of andere familieleden gaan we uit van een bijdrage van € 200,- per persoon en we tellen bijvoorbeeld het kind gebonden budget ook mee.

Van inwonende (volwassen) kinderen met eigen inkomen uit arbeid of uitkering mag een bijdrage aan het gezinsinkomen worden verwacht (kostgeld). Hiervoor wordt standaard een bedrag van € 200,- per maand gerekend, ongeacht of dit ook daadwerkelijk wordt betaald. Dit geldt ook voor inwonende verdienende ouder, broer, zus of meerderjarige stief- of pleegkinderen. Ook van deze personen mag een bijdrage worden verwacht. De hoogte van de bijdrage zal worden bepaald door de intaker, maar zal minimaal € 200 per persoon per maand bedragen.

Niet meegeteld worden:

  • inkomsten die een specifiek doel hebben, zoals langdurigheidstoeslag, bijzondere bijstand en kleine inkomsten uit hobby
  • vakantietoeslag
  • kinderbijslag
  • studiefinanciering inwonende kinderen
  • persoonsgebonden budget (PGB) (1)
  • neveninkomsten van kinderen zoals krantenwijk, bijbaantje e.d.

1 Wanneer het persoonsgebonden budget gebruikt wordt als inkomen voor de partner om zorg uit te voeren, dient dit inkomen wel als inkomen van partner te worden opgegeven.

3. Uitgaven


Bij de uitgaven tellen alleen de kosten mee van de personen van wie het inkomen is meegeteld. Kosten, die bijvoorbeeld vanuit de kinderbijslag of persoonsgebonden budget (1)  worden voldaan, tellen dus niet mee. De meest voorkomende zaken die bijna alle uitgaven afdekken zijn:

  • Huur
  • Rente en aflossing hypotheek
  • Energie en water
  • Premie zorgverzekering
  • Het eigen risico van de zorgverzekering en eventuele niet te vergoede medische kosten tot een  maximum van € 38,- per volwassene
  • Premie overige verzekeringen (zoals: inboedel-, WA- en begrafenisverzekering). Tezamen met de zorgverzekering van de hoofdaanvrager tot een maximum van € 175 per maand
  • Telefoon, TV en Internet (werkelijke kosten met een maximum van € 57,– p.m. + € 4 per gezinslid van 12 jaar of ouder, met uitzondering van aanvrager en niet-studerende kinderen, ouder dan 18 jaar)
  • Kosten persoonlijke verzorging, was- en schoonmaakmiddelen voor een vast bedrag van € 43,-
  • Gemeentelijke belastingen (voor zover die daadwerkelijk worden betaald)
  • Belastingen Waterschap (voor zover die daadwerkelijk worden betaald)
  • Aflossing van schulden (schulden aan familieleden worden in beginsel niet meegenomen)
  • Kosten kinderopvang mits noodzakelijk
  • Kosten vervoer voor onder andere woon-werkverkeer en op medische gronden, een normbedrag van € 26,-
  • Overige uitgaven dienen altijd gespecificeerd te worden

1 Wanneer het persoonsgebonden budget gebruikt wordt als inkomen voor de partner om zorg uit te voeren, dient dit inkomen wel als inkomen van partner te worden opgegeven.

De volgende uitgaven worden niet meegerekend:

  • Autokosten (of ander vervoer): alleen nog in heel bijzondere situaties wanneer de kosten ook aantoonbaar worden gemaakt. In dat geval mag € 0,19 per km. worden gerekend (voorbeelden kunnen zijn woon-werk en medische noodzaak).
  • Kosten van huisdieren: deze kosten komen niet in aanmerking als uitgaven, tenzij het aantoonbaar om een hulp- of blindengeleidehond gaat.
  • Premie voor spaar-, pensioen- of overlijdensrisicoverzekering met spaarelement, voorzover niet verbonden aan de eigen woning.

4. Hardheidsclausule


Het is onmogelijk om alle situaties te vangen in regeltjes. Indien het toepassen van de hiervoor vermelde regels, in zeer bijzondere situaties, tot ongewenste situaties leidt, kan de beoordelaar van de voedselbank bij uitzondering, maar wel onderbouwd, afwijken van deze regels.